Land van oorsprong: Oostenrijk.
Gewicht: 3,5 tot 4,5 kilo. Het ideale gewicht zit tussen de 4 en 4,4 kilo.
Type en bouw:
is iets gestrekt en halsloos, breed in de schouders en in het kruis, zodat
het lichaam van bovenaf gezien een rechthoek vormt ( walsvormig type ).
De kop: krachtig en goed ontwikkeld met brede kaken.
De oren: 12 tot 13,5 cm . De oren zijn vlezig, nauw ingeplant, goed afgerond
en dicht behaard.
De benen zijn stevig maar niet te lang.
De pels: De pels is van normale lengte en is zeer dicht en rijk aan onderwol.
Moet goed aanliggen met weinig uitstekende grannen.
Erkend in de kleuren: Haaskleur, Konijngrijs, IJzergrauw, Blauwgrijs, Blauwgrauw,
Zwart, Blauw en Wit.
De Weners
W Matthys, uit Landeigendom maart 1989.
De Verenigde Kleinveefokkers, juni 1999
Blauwe konijnen moeten al lang bestaan hebben. De bekende
Nederlandse natuurkundige Anthoni van Leeuwenhoek (1632-1723) vermeldt
ze reeds in zijn geschriften. Ook bij ons behoren de Blauw van Beveren
en de Blauw van Sint-Niklaas tot de oudst gekende rassen. In de ons
omringende landen zullen dus ook wel rasloze slachtkonijnen met blauwgevlekte
pels voorgekomen zijn. Vaststaand feit in elk geval is dat de blauwe
Wener al deze gelijkkleurige soortgenoten verdrong en door zijn raskwaliteiten,
zijn buitengewone kleur, zijn uitzonderlijke pels en zijn slachteigenschappen
overvleugelde. Wordt er nu, zowel in Europa als in Amerika, over
een blauw konijn gesproken, dan gaat het onvermijdelijk over de Blauwe
Wener. De spoorwegbeambte Johann Constantin Schuim uit Wien-Hetzendorf
was de schepper van dit uitzonderlijk rasdier. Oorspronkelijk stelde
hij zich tot doel het fokken van zwaardere slachtkonijnen en hij
maakte zich daarbij weinig zorgen om de pelskleur. Gebruik makend
van zijn vrienden en bekenden bij de spoorwegen, trachtte hij uit
de omliggende landen grotere konijnen te krijgen om ze in zijn stam
in te kruisen en op deze manier zijn eigen dieren te vergroten. Uit
België kreeg hij een zwarte Vlaamse Reus ram en uit Frankrijk
een haaskleurige Normandiër, die zeer waarschijnlijk recessief
de blauwfactor in zich droeg.
Hij paarde deze rammen aan zijn eigen blauwe voedsters
en kweekte zo zijn «blauwe Wener Reuzen», die tussen
6 en 7 kg wogen en die hij in 1895 voor de eerste maal toonde op
een tentoonstelling in het Praterpretpark te Wenen. In een bericht
uit 1909 betwist de Wener Heinrich Schwab de fokgeschiedenis van
Schulz en beweert dat in de streek van Heinzendorf en Zwittau praktisch
elke arme wever of landarbeider blauwe konijnen kweekte met een gewicht
van 4 à 5 kg. Het zouden goede vleesproducenten geweest zijn
en ze bestonden in verschillende tinten blauw: helder, midden en
donker. Kwekers zoals Schulz zouden daaruit hun stammen hebben opgebouwd.
In elk geval werden reeds in 1903 de eerste dieren naar Duitsland
gehaald en twee jaar later al toonde een tentoonstelling in Hamburg
dertig Weners, die gemiddeld 6 kg wogen en die tot de zeer donkere,
staalblauwe kleurslag behoorden. Uit een kruising met Alaska fokten
de Duitsers dan in 1925 de zwarte Wener en nadien werd de Wener ook
in konijngrijs, haaskleurig en ijzergrauw gekweekt. Deze kleuren
zijn echter eerder zeldzaam en niet zo mooi als de oorspronkelijke.
In 1968 begon men in Duitsland met Kruisingen met Rood Nieuw-Zeelander
om een Rode Wener te fokken. Resultaten bleven daarbij hopeloos uit
en de pogingen werden intussen opgegeven.
De
witte wener: foto hier klikken
Heeft zoals reeds gezegd niets met de Blauwe te maken
en is genetisch volledig verschillend. Wilhelm Mücke, eveneens
een spoorwegbeambte uit Wenen, was de maker van het nieuwe ras. Het
grote verschil met zijn collega lag hierin dat hij zich eigenlijk
geen bepaald doel had gesteld en dus ook geen verschillende rassen
kruiste om vooraf bepaalde eigenschappen in een nieuw ras vast te
leggen. Mücke kweekte konijnen met een blauwwitte Hollandertekening,
die dus ook blauwe ogen hadden. Albino’s met rode ogen waren
in die tijd voldoende gekend en uit pure nieuwsgierigheid paarde
hij altijd de dieren die minst blauw gevlekt waren, in de verwachting
dat hij vroeg of laat witte jongen met rode ogen in de nesten zou
vinden. Tot zijn grote verwondering, kreeg hij zuiver witte dieren
met blauwe ogen, wat voor die tijd een opzienbarende nieuwigheid
was. De Duitse professor Nachtsheim, één van de meest
vooraanstaande Europese erfelijkheidsdeskundigen, die als hobby het
namaken van oude konijnenrassen bedreef en met staatssteun in zijn
kwekerij en laboratorium over alle mogelijkheden beschikte, probeerde
jarenlang op dezelfde inteeltwijze Mückes creatie na te doen.
Deze pogingen bleven vruchteloos, waardoor professor Nachtsheim beweert
dat destijds in de Weense stam een ongekende mutatie van de erffactoren
moet opgetreden zijn, waarbij een gedeeltelijk albinisme optrad,
dat hij «leucisme» noemt. Er zijn trouwens pogingen in
dezelfde zin gebeurd en in de literatuur vermeld, van kwekers die
met blauwwitte Hollanders dezelfde verdringingsparingen uitvoerden.
De Duitser Schültz uit Ratingen beweerde zijn Witte Weners op
die manier bekomen te hebben, wat echter sterk betwijfeld wordt en
waarvoor hij geen enkel bewijs kan voorleggen. Ook fokker Hermann
Ziemer uit Husurn probeerde het, maar na oneindig lange proeven kreeg
hij nooit volledig witte konijnen. Er restten altijd vlekken rond
de ogen en op de achterhand. Hij kreeg zijn ras zelfs door de Duitse
Bond erkend, maar vijf jaar later was er zelfs geen sprake meer van.
Het «Husumer-konijn» behoorde tot het verleden. Mücke
stelde zijn dieren voor de eerste maal aan het publiek voor op een
tentoonstelling in het Prater in 1907. De Witte Wener is kleiner
dan de Blauwe en weegt normaal tussen 4 en 5 kg. Hij is een snelle
groeier en wordt in Amerika in veel konijnenfarms voor de vleesproductie
gebruikt en heeft bovendien een van de mooiste en dichtste pelzen
uit de konijnenwereld.
Epilepsie
Vallende ziekte komt bij konijnen veel meer voor dan
men vermoedt en is, juist zoals bij de mens, een erfelijke ziekte.
De uiterlijke kentekenen zijn typisch. Een aanval wordt meestal door
schrikken veroorzaakt, waarbij het dier in een vluchtpoging gaat
rondrennen in het hok, begint te gillen en te beven, om bewusteloos
en tandenknarsend in een kramptoestand om te vallen. De spieren voelen
dan stijf en gespannen. Na een tiental minuten schijnt het dier te
ontwaken en lijkt weer volledig normaal. Fokker Mücke heeft
in zijn argeloosheid en met zijn volledig gebrek van elke kennis
in verband met erfelijkheidsleer, ten gevolge van zijn jarenlange
inteelt en verdringingsselectie deze ziekte grondig in de Witte Wener
vastgelegd. Prof. Nachtsheim heeft bij zijn proeven in 1930 de ziekte
bij dit ras waargenomen en beschreven. Hij stelde bovendien vast
dat de aanvallen bij jonge, opgroeiende konijnen veelvuldiger zijn
dan bij oudere dieren en dat ze in de zomer vaker voorkomen dan in
de winter. Hij bewees bovendien dat de ziekte recessief vererft en
dat beide ouders dus de aanleg moeten dragen om zulke jongen te geven.
Voor het ogenblik worden speciale epilepsiekonijnen gefokt om onderzoekingen
te doen in verband met de bestrijding van de ziekte bij de mens.
Juist zoals men bij de Pavlov-hond de speekselklieren liet reageren
op een bel, kan men door belgerinkel in de stal een epilepsie aanval
bij deze konijnen veroorzaken. Voor deze experimenten werd door de
Amerikaanse onderzoekers Antonitis, Crary, Zavin en, Coben een speciale
stam konijnen gebruikt, gefokt uit een kruising van Witte Wener en
Blauwe Hollanders. Aan de Tsjechoslovaakse Academie voor geneeskunde
fokte men door inteelt uit twee aangetaste ouders een witte Wener-stam
waarvan 90 % van de nakomelingen aan epilepsie lijden. Aangezien
bij de creatie van alle andere blauwogige witte konijnen zoals Blauwoog
pool, Blauwoog Angora, Hulstlander, oorspronkelijk Witte Weners werden
ingekruist, komt ook bij deze rassen meer epilepsie voor dan bij
andere. Dit alles om de fokker van zulke dieren erop te wijzen dat
voorzichtigheid noodzakelijk is en dat een dier dat ooit zo een aanval
kreeg zeker nooit voor de fok mag gebruikt worden. Alleen uiterst
strenge selectie op deze eigenschap kan voorkomen dat men met die
onaangename zaak te maken krijgt. Opletten dus, laat u niet verrassen
W Matthys, uit Landeigendom maart 1989.
De Verenigde Kleinveefokkers, juni 1999