De witte wener

website

Heeft niets met de Blauwe te maken en is genetisch volledig verschillend. Wilhelm Mücke, eveneens een spoorwegbeambte uit Wenen, was de maker van het nieuwe ras. Het grote verschil met zijn collega lag hierin dat hij zich eigenlijk geen bepaald doel had gesteld en dus ook geen verschillende rassen kruiste om vooraf bepaalde eigenschappen in een nieuw ras vast te leggen. Mücke kweekte konijnen met een blauwwitte Hollandertekening, die dus ook blauwe ogen hadden. Albino’s met rode ogen waren in die tijd voldoende gekend en uit pure nieuwsgierigheid paarde hij altijd de dieren die minst blauw gevlekt waren, in de verwachting dat hij vroeg of laat witte jongen met rode ogen in de nesten zou vinden. Tot zijn grote verwondering, kreeg hij zuiver witte dieren met blauwe ogen, wat voor die tijd een opzienbarende nieuwigheid was. De Duitse professor Nachtsheim, één van de meest vooraanstaande Europese erfelijkheidsdeskundigen, die als hobby het namaken van oude konijnenrassen bedreef en met staatssteun in zijn kwekerij en laboratorium over alle mogelijkheden beschikte, probeerde jarenlang op dezelfde inteeltwijze Mückes creatie na te doen. Deze pogingen bleven vruchteloos, waardoor professor Nachtsheim beweert dat destijds in de Weense stam een ongekende mutatie van de erffactoren moet opgetreden zijn, waarbij een gedeeltelijk albinisme optrad, dat hij «leucisme» noemt. Er zijn trouwens pogingen in dezelfde zin gebeurd en in de literatuur vermeld, van kwekers die met blauwwitte Hollanders dezelfde verdringingsparingen uitvoerden. De Duitser Schültz uit Ratingen beweerde zijn Witte Weners op die manier bekomen te hebben, wat echter sterk betwijfeld wordt en waarvoor hij geen enkel bewijs kan voorleggen. Ook fokker Hermann Ziemer uit Husurn probeerde het, maar na oneindig lange proeven kreeg hij nooit volledig witte konijnen. Er restten altijd vlekken rond de ogen en op de achterhand. Hij kreeg zijn ras zelfs door de Duitse Bond erkend, maar vijf jaar later was er zelfs geen sprake meer van. Het «Husumer-konijn» behoorde tot het verleden. Mücke stelde zijn dieren voor de eerste maal aan het publiek voor op een tentoonstelling in het Prater in 1907. De Witte Wener is kleiner dan de Blauwe en weegt normaal tussen 4 en 5 kg. Hij is een snelle groeier en wordt in Amerika in veel konijnenfarms voor de vleesproductie gebruikt en heeft bovendien een van de mooiste en dichtste pelzen uit de konijnenwereld.

Epilepsie

Vallende ziekte komt bij konijnen veel meer voor dan men vermoedt en is, juist zoals bij de mens, een erfelijke ziekte. De uiterlijke kentekenen zijn typisch. Een aanval wordt meestal door schrikken veroorzaakt, waarbij het dier in een vluchtpoging gaat rondrennen in het hok, begint te gillen en te beven, om bewusteloos en tandenknarsend in een kramptoestand om te vallen. De spieren voelen dan stijf en gespannen. Na een tiental minuten schijnt het dier te ontwaken en lijkt weer volledig normaal. Fokker Mücke heeft in zijn argeloosheid en met zijn volledig gebrek van elke kennis in verband met erfelijkheidsleer, ten gevolge van zijn jarenlange inteelt en verdringingsselectie deze ziekte grondig in de Witte Wener vastgelegd. Prof. Nachtsheim heeft bij zijn proeven in 1930 de ziekte bij dit ras waargenomen en beschreven. Hij stelde bovendien vast dat de aanvallen bij jonge, opgroeiende konijnen veelvuldiger zijn dan bij oudere dieren en dat ze in de zomer vaker voorkomen dan in de winter. Hij bewees bovendien dat de ziekte recessief vererft en dat beide ouders dus de aanleg moeten dragen om zulke jongen te geven. Voor het ogenblik worden speciale epilepsiekonijnen gefokt om onderzoekingen te doen in verband met de bestrijding van de ziekte bij de mens. Juist zoals men bij de Pavlov-hond de speekselklieren liet reageren op een bel, kan men door belgerinkel in de stal een epilepsie aanval bij deze konijnen veroorzaken. Voor deze experimenten werd door de Amerikaanse onderzoekers Antonitis, Crary, Zavin en, Coben een speciale stam konijnen gebruikt, gefokt uit een kruising van Witte Wener en Blauwe Hollanders. Aan de Tsjechoslovaakse Academie voor geneeskunde fokte men door inteelt uit twee aangetaste ouders een witte Wener-stam waarvan 90 % van de nakomelingen aan epilepsie lijden. Aangezien bij de creatie van alle andere blauwogige witte konijnen zoals Blauwoog pool, Blauwoog Angora, Hulstlander, oorspronkelijk Witte Weners werden ingekruist, komt ook bij deze rassen meer epilepsie voor dan bij andere. Dit alles om de fokker van zulke dieren erop te wijzen dat voorzichtigheid noodzakelijk is en dat een dier dat ooit zo een aanval kreeg zeker nooit voor de fok mag gebruikt worden. Alleen uiterst strenge selectie op deze eigenschap kan voorkomen dat men met die onaangename zaak te maken krijgt. Opletten dus, laat u niet verrassen

W Matthys, uit Landeigendom maart 1989.
De Verenigde Kleinveefokkers, juni 1999